Box 3, wat nu?

Onlangs heeft de Hoge Raad de zogenaamde spaartax onwettig verklaard. Voor de overheid ontstaat nu een probleem, aangezien deze belasting op vermogen een kleine 5 miljard euro per jaar opleverde. De toch al geplaagde belastingdienst zal met een relatief eenvoudige oplossing moeten komen, want om voor enkele miljoenen belastingplichtigen individueel vast te stellen hoeveel belasting ze terugkrijgen is feitelijk ondoenlijk.

Verwarrende namen
De diverse benamingen van wat gemakshalve wel de 'spaartax' wordt genoemd, wekken niet zelden verwarring. Deze – inmiddels opgeschorte – belasting wordt ook wel vermogensbelasting genoemd, maar Nederland heeft sinds het jaar 2001 in naam geen echte vermogensbelasting meer. De meer zuivere term vermogensrendementsheffing dekt de lading beter. Het gaat immers om de opbrengst van je vermogen. Die opbrengst wordt vervolgens bij je inkomen opgeteld en belast. In feite hebben – of liever: hadden – we dus met een onderdeel van de inkomstenbelasting te maken.

Welk vermogen?
Het belastbaar vermogen vinden we in box 3. Daar staan niet alleen de spaarrekeningen, maar ook beleggingen in bijvoorbeeld aandelen en obligaties en het bezit aan onroerend goed, zoals een tweede woning. Eventuele (hypotheek)schulden worden in mindering gebracht. De eerste 50.000 euro zijn vrij van belasting, voor een stel het dubbele. Voor de duidelijkheid: de eigen (eerste) woning en daarop rustende schulden maken geen onderdeel uit van het belastbaar vermogen. Het huis waarin je zelf woont zit in box 1.

Het is deze variant, met een door de fiscus zelf bedachte opbrengst, die onlangs door de Hoge Raad verboden werd. Overigens moet de omvang van de vermogensrendementsheffing niet worden overdreven. Als je een vermogen van 200.000 euro had, bedroeg de uiteindelijk af te dragen belasting daarover voor een stel zo'n 600 euro.

Naar een oplossing?
Wat nu? Moeten we terug naar een echte vermogensbelasting zoals we die in Nederland vóór 2001 kenden? Linkse partijen als de PvdA en GroenLinks lijken die kant op te willen. Zo'n belasting wordt echter vaak als onrechtvaardig gezien. Vooral omdat bij een echte vermogensbelasting even grote vermogens precies even zwaar worden belast en dat terwijl het ene vermogen een veel hogere opbrengst kan hebben dan het andere.

Het regeerakkoord van het kabinet-Rutte IV lijkt vanaf 2025 de echte vermogensopbrengst te willen belasten. In NRC Handelsblad scharen de economen Bas Jacobs en Sijbren Cnossen zich achter dit idee. Je belast dan niet het door de fiscus bedachte rendement, maar de werkelijke, voor ieder verschillende, vermogensaanwas. En die vermogensaanwas zou in hun ogen dan breed moet worden opgevat. Dus niet alleen zaken als rente en dividend, maar ook de verkoopwinst op je eigen huis en de vermogensgroei via koerswinsten. Deze laatste twee vormen van vermogensopbrengsten zijn nu nog onbelast in Nederland. Uiteraard zou de overheid dan ook moeten compenseren in geval van vermogensverlies. Door opbrengsten te belasten en verliezen te compenseren, aldus Jacobs en Cnossen, deelt de overheid in geluk en pech en vermindert zo de risico's bij huishoudens.

Vermogen of vermogensopbrengst
Er is dus een onderscheid tussen vermogensbelasting en vermogensrendementsheffing, tussen belasting op het vermogen zelf en een belasting op de opbrengst van dat vermogen. Deze twee zaken worden in Nederland, misschien niet geheel ten onrechte overigens, vaak door elkaar gebruikt, maar er is wel een verschil. Vóór 2001 had Nederland een vermogensbelasting. Er werd belasting geheven over het vermogen zelf. Over een vermogen diende, boven een bepaalde vrijstelling, een zeker percentage belasting te worden betaald.

Vermogensbelasting kan in bepaalde gevallen als onrechtvaardig worden gevoeld omdat je twee keer belasting betaalt. Over een vermogen dat je bij elkaar spaart, heb je al eerder inkomstenbelasting betaald. Over dividend, de winstuitkering voor aandeelhouders, is dividendbelasting ingehouden. Over een erfenis is erfbelasting betaald. Uiteraard geldt deze dubbele belasting niet voor de toename van het vermogen via de stijging van huizenprijzen en aandelenkoersen.

Fictief rendement
Vrijwel alle westerse landen hebben een belasting over de opbrengst van het vermogen. Nederland had een wel heel bijzondere variant daarvan. De fiscus ging namelijk uit van een fictief rendement. Afhankelijk van de omvang van het vermogen werd een bepaalde mix van sparen en beleggen verondersteld, met bijbehorend rendement. Vooral bij wat grotere vermogens dwong de fiscus je bijna te beleggen in plaats van te sparen, aangezien beleggen geacht werd meer op te brengen dan sparen. Omdat de fiscus met een vast rendement werkte, was er in de praktijk toch sprake van een echte vermogensbelasting.