Het grootste deel van de geschiedenis hebben overheden de economische ontwikkelingen eenvoudigweg over zich heen laten komen. Ingrijpen was vrijwel nooit aan de orde. Overheden waren relatief klein en hadden ook nauwelijks de middelen om iets te doen. Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog. Toen ontstond een ander politiek klimaat. Als burgers nu in problemen komen, verwachten ze van hun overheid dat die maatregelen neemt. Zo ook nu, nu de inflatie het leven duurder en voor sommigen onbetaalbaar maakt.

Wie doet wat?
De vraag is dan wat er tegen de inflatie en de gevolgen ervan gedaan kan worden. Tegen de inflatie zelf kunnen we de Europese Centrale Bank (ECB) in stelling brengen, die met het rentewapen de inflatie dient te bestrijden. Intussen kampen huishoudens met forse energierekeningen en zo langzamerhand worden ook de boodschappen duurder omdat energie 'overal in zit'. Het is de (rijks- en gemeentelijke) overheid die hiertegen in het geweer komt en wel met het meest effectieve wapen dat ze ter beschikking staat: geld. Economen vragen zich nu af of deze twee maatregelen, het manipuleren met de rentestand en het strooien met geld, elkaar niet tegenwerken.

De overheid geeft uit
Laten we eerst kijken naar de rol van de overheid. De diverse kabinetten-Rutte hadden en hebben een duidelijk liberaal karakter: het heil komt van de markt, niet van de overheid. Ruttes liberale voorgangers zouden dan ook met stomheid geslagen zijn bij de enorme bedragen die tegenwoordig de economie ingepompt worden. Het begon al met de coronapandemie, toen ondernemingen gecompenseerd werden voor hun lock-downverliezen. Toen kwam de vorming van een nieuw kabinet. Het oplossen van problemen – klimaat, stikstof, wonen, defensie, onderwijs – werd vooral gevonden in het ter beschikking stellen van zeer royale bedragen. En toen moest de compensatie voor de gestegen energierekening nog komen. Geen mens weet hoe duur die compensatie gaat uitvallen. Ergens tussen de 10 en de 40 miljard euro, naar verluid.

De staatsschuld neemt toe...
Waar moet al dat geld vandaan komen? Voor een deel uit gestegen inkomsten. Zo nemen de inkomsten uit belastingen op het verbruik van olie en gas toe bij stijgende energieprijzen. Verder wordt gekeken naar een solidariteitsheffing bij energie-opwekkende bedrijven, die nu hoge winsten boeken. Daarnaast worden vermogenden zwaarder belast. Maar het grootste deel zal ten laste komen van de staatsschuld: om uit de problemen te komen moeten we geld lenen, met een vriendelijk verzoek aan de volgende generaties om onze schulden af te lossen.

Overigens hoeven we niet direct wakker te liggen van onze staatsschuld. Binnen het eurogebied geldt de afspraak dat de staatsschuld maximaal 60 procent van de nationale productie mag zijn. Ook mét de energiecompensatie komt Nederland daar lang niet aan, hetzal rond de 50 procent uitkomen. Voor het overheidstekort geldt de afspraak dat het maximaal 3 procent van de nationale productie mag zijn. Door de energiecompensatie zal het tekort waarschijnlijk wel boven die 3 procent uitkomen, maar dat is niet echt een reden om in paniek te raken.

... en de inflatie ook
Er is wel een ander aspect aan al dat strooien met geld: het stimuleert de economie. Met andere woorden, het jaagt de bestedingen aan. Het deel van de extra uitgaven dat met extra schulden wordt gefinancierd, wordt in feite overgeheveld van de toekomst naar het heden. En die extra koopkracht moet concurreren met de na corona toch al toegenomen bestedingen. Neem daarbij in aanmerking dat de productiemogelijkheden onder andere door de tekorten op de arbeidsmarkt beperkt zijn, dan hoeven we niet vreemd op te kijken als de prijzen flink gaan stijgen. We zien dit overigens zeker niet alleen in Nederland, maar in alle westerse landen.

De ECB trapt juist op de rem
En zo komen we bij de rol van de centrale bank. Opgericht om prijsstabiliteit te handhaven, kijkt de ECB nu aan tegen inflatiecijfers van boven de 10 procent per jaar. En de ECB doet wat ze moet doen: de rente verhogen. De gedachte daarachter is dat lenen duurder wordt, waardoor de bestedingen ontmoedigd worden en de druk op het prijspeil afneemt. We zien dus dat overheden vol goede bedoelingen de bestedingen aanjagen, terwijl de ECB juist op de rem gaat staan. De vraag aan het begin van dit stukje – "Werken overheden en ECB elkaar tegen?" – kan dus met ja worden beantwoord. Je kunt je natuurlijk afvragen of dit hybride beleid verstandig is, maar misschien kun je je beter afvragen of er in de gegeven omstandigheden een andere optie is. Zeker is wel dat overheden en centrale bankiers op een dun koord balanceren.